Slavernij in Belize

Kort na de beroemde reizen van Columbus ontdekten de Portugezen en Spanjaarden boomsoorten in Centraal en Zuid Amerika die een belangrijke leverancier bleken te zijn voor rode kleurstoffen die in de textielindustrie werden gebruikt. De waarde van deze houtsoort was in die periode vergelijkbaar met goud en juwelen. Ook in Yucatan werd een kleurstofhoudende houtsoort ontdekt; de Campecheboom. De Engelsen noemden deze kleine stekelige boom "logwood", omdat dit hout in blokken of stammen werd getransporteerd. Het kernhout is aanvankelijk bloedrood maar verandert na blootstelling aan de lucht via donker bruinrood naar violet tot blauw.

De Spaanse schepen die dit dure hout vervoerden naar Europa waren een aantrekkelijke prooi voor de Britse kapers totdat de Spaanse marine de met campechehout beladen zeilschepen op hun terugtocht naar Spanje ging escorteren. Hierdoor gingen de kapers noodgedwongen zelf op zoek naar het kostbare hout. De Engelsen ontdekten uitgestrekte gebieden met campechebomen langs de Caribische kusten van Centraal Amerika. Veel Engelse kapers kozen daarom voor een leven aan land en vestigden houthakkerskampen in de door muskieten geteisterde moerassige gebieden in o.a. het huidige Belize. Het staatswapen in de vlag van Belize herinnert nog aan deze tijd.

De handel in slaven
De handel in Campechehout groeide snel en de Britse houthakkers hadden al snel extra arbeidskrachten nodig voor hun zware werk. In de 18e eeuw werd daarom begonnen met het importeren van slaven uit Afrika. De vroegste vermelding van slavernij in Belize dateert uit 1724 van een Spaanse missionaris die schreef dat er zeer recent slaven waren aangekomen uit Jamaica en Bermuda.

De handel in Afrikaanse slaven naar de Caribische gebieden was echter al veel eerder begonnen aan het begin van de 16e eeuw rond 1518. Voor de steeds groter wordende plantages in Centraal Amerika waren veel arbeiders nodig. De Indiaanse bevolking in Amerika was gedecimeerd door de uit Europa meegenomen "onschuldige" ziekten. En het aanbod van veelal arme Europeanen naar de nieuwe wereld bleef te beperkt omdat het harde en oncomfortabele leven in de nieuwe wereld de Europeanen afschrok. Het importeren van slaven was een effectief middel om de noodzakelijke arbeidskrachten te krijgen. De handel in Afrikaanse slaven zou ruim 300 jaar duren en groeide uit tot een enorme economie.

De handel in slaven vond plaats in een driehoekige handelsroute. De Europeanen voeren naar West-Afrika en verhandelden Europese goederen tegen slaven met Afrikaanse heersers en Arabische kooplieden. De slaven werden vervolgens over de Atlantische oceaan naar Amerika vervoerd en verhandeld tegen suiker en andere koloniale goederen. Deze producten werden vervolgens weer terug vervoerd naar Europa en daar verkocht. Zo ontstond een levendige en winstgevende handel. De handel in slaven was een van de meest afschrikwekkende perioden van verplichte menselijke migratie uit de geschiedenis. Naar schatting werden tussen de 15 en 20 miljoen Afrikanen in slavernij gedwongen. Aan boord waren de omstandigheden vreselijk. Ze werden zo dicht op elkaar geplaatst en kregen zo weinig water en voedsel dat gemiddeld 1/3 van de slaven de overtocht niet overleefde.

De meeste slaven in Belize kwamen in de tweede helft van de 18e eeuw aan. Soms werden ze op één van de slavenmarkten in het Caribische gebied zoals Jamaica gekocht of in de Verenigde Staten. Maar vaak kwamen ze direct uit Afrika. De meeste slaven die de Britten kochten, kwamen uit de Baai van Benin in West-Afrika uit het gebied waar nu het huidige Nigeria en Benin liggen. En soms zelfs uit meer zuidelijk gelegen gebieden uit het huidige Congo en Angola. In 1850 identificeerden slaven in Belize zichzelf nog o.b.v. de stammen waaruit zij of hun voorouders stamden. Zo waren er in Belize Congoes, Nangoes, Mongolas, Ashantees en Eboes. Een deel van Belize werd zelfs "Eboe Town" genoemd.


Belangrijkste slavenroutes

Het leven van slaven in Belize
De meeste slaven in Amerika werden te werk gesteld op grote plantages waar ze met hun familie leefden en werkten. In Belize werden de slaven echter hoofdzakelijk gebruikt voor het kappen van hout. Hierdoor ontwikkelde de Belizaanse cultuur zich op een andere wijze. Bij de kap van logwood trokken de slaveneigenaar en kleine groepjes gezamenlijk de jungle in en werkten vanuit kleine kapplaatsen langs de rivieren en lagunen.

Later stapten de kolonisten over van logwood naar mahonie. Omdat mahoniebomen groter waren en meer in de binnenlanden groeiden hadden ze meer geld, grond en arbeidskracht nodig. In 1770 werkte maar liefst 80% van alle slaven van 10 jaar en ouder in de mahoniebusiness. Het houthakken was seizoensgebonden werk en de slaven leefden dan voor langere perioden zeer geïsoleerd in de houthakkampen. Het werk was zwaar. De mahoniebomen moesten eerst worden gevonden, dan omgehakt en werden vervolgens via tijdelijke paden door runderen naar de rivier gebracht. Van de bomen werden vervolgens vlotten gebouwd en als de waterstand in het regenseizoen steeg naar de kust gevaren. Iedere slaaf specialiseerden zich in één van de bovenstaande activiteiten. De totale groep bestond uit tussen de 10 en 50 personen, die werden gecoördineerd door een voorman. Door de aard van het werk kende Belize echter niet de zweep hanterende voorman zoals we die kennen van de Amerikaanse plantages.

Vrouwelijke en kindslaven werden vooral gebruikt voor huishoudelijke activiteiten. Meestal werden ze gedwongen om voor zichzelf groenten en fruit te verbouwen zodat de slavenhouder kon besparen op voedsel voor de slaven. Daarnaast werden slaven ook gebruikt als zeeman, smid, verpleegsters en bakkers. Een eigen beroepskeuze hadden ze echter niet.

Het grootste deel van de slaven was eigendom van een relatief klein groepje kolonisten. In 1790 bezaten een 20-tal landgoederen de helft van alle slaven. En 20% van de kolonisten had überhaupt geen slaven.

Door de grote toevoer van slaven bestond in 1790 2/3 van de Belizaanse bevolking van in totaal circa 4.000 personen uit Afrikaanse slaven. De Europese populatie bleef steken op 10% en de rest bestond uit vrije slaven en gemengde nakomelingen. Toen in 1806 de handel in slaven werd afgeschaft, het bezit van slaven was nog wel mogelijk, nam het percentage slaven echter snel af tot circa 50% van de bevolking 25 jaar later. Dit werd grotendeels verklaard door een toename van het percentage creolen en vrije slaven. Maar ook door een hoog sterftecijfers door de slechte woon- en leefomstandigheden, en een laag geboortecijfers omdat er veelal 2 tot 3 mannelijke slaven waren op 1 vrouwelijke. Ook aborteerden zwangere slaven zich geregeld om hun kind een leven in slavernij te besparen. Tenslotte ontsnapten veel slaven. De lefomstandigheden waren zeer slecht. In 1820 rapporteerde de hoofdcommissaris van de politie Arthur dat veel kolonisten hun slaven met "extreme strengheid en wreedheid" behandelden. In 1824 verklaarde de kapelaan van Belize dat "er vele gevallen zijn van verschrikkelijke barbaarsheid door de slavenhouders".

De slaven werden door de Britten onder controle gehouden met zware dwang en de typisch Britse "verdeel en heers" strategie. Ze gaven bepaalde groepen privileges zodat deze zich confirmeerden aan het Britse systeem. En de bevolkingsgroepen werden duidelijk van elkaar onderscheiden. De vrije creolen hadden meer rechten dan de slaven maar aanzienlijk minder dan de blanke kolonisten. De vrije creolen in Belize kregen in het Caribische gebied als laatste dezelfde rechten als de blanken. De regering in Londen moest Belize zelfs onder dwang zetten door te dreigen het parlement te ontbinden voordat op 5 juli 1831 eindelijk gelijke rechten werden gegeven aan creoolse Belizeanen.


Transport van slaven

Vluchten en opstand
In Belize was het voor de slaven relatief eenvoudig te ontsnappen omdat ze veelal in kleine groepen werkten in de jungle en deze ook goed kenden. In de 18e eeuw vluchtten vele slaven over de grens naar het noorden naar Yucatan waar de Spanjaarden hen vrijheid aanbood. Ook vluchtten vele naar het westen naar Guatemala en via de kust naar het zuiden naar Omoa en Trujillo in Honduras. Maar ook werden verborgen eigen gemeenschappen gesticht in de binnenlanden. Zo werd in 1816 een gemeenschap beschreven vlakbij de Sibun rivier in de Blue Mountains. En in 1820 werd gesproken over 2 slavendorpen ten noorden van de Sibun rivier waar een aanzienlijke hoeveelheid weggelopen slaven al voor een lange periode woonden. De exacte locatie werd door de Engelsen echter niet achterhaald. Hierdoor vormden deze dorpen veilige toevluchtsoorden voor weggelopen slaven.

Er zijn vier vastgelegde gevallen van slavenopstanden. Drie daarvan vonden plaats tussen 1760 en 1775; in 1765, 1768 en 1773. In deze periode daalde de prijs van logwood gestaag waardoor slavenhouders onvoldoende geld hadden om hun slaven te voeden, terwijl ze wel harder moesten werken de lagere logwood prijs te compenseren. De hevigste opstand vond plaats in juni 1773 en de hulp van de Engelse marine moest zelfs worden ingeroepen om de opstand neer te slaan. Een klein aantal slaven wist echter te ontkomen en vluchtte naar Spaans gebied. In 1820 vond de laatste opstand door een aanzienlijke groep slaven die zich had bewapend. De hoofdinspecteur Arthur concludeerde dat de initiële groep slaven die de opstand waren begonnen onnodige wreed waren behandeld door hun slavenhouder en alle redenen hadden om te klagen. Toch werd de opstand neer geslagen.

Afschaffing van de slavernij
Sinds de 18e eeuw hadden religieuze en humanitaire groeperingen campagne gevoerd voor de afschaffing van de slavernij en de aandacht voor dit onderwerp groeide. Daarnaast kwam het besef dat de economie een sterke impuls kreeg als de slavernij zou worden afgeschaft. Door het betalen van een salaris zou de economie groeien. Tenslotte waren overal in het Caribische gebied bloedige opstanden uitgebroken. Dit boezemden de blanke overheersers veel angst in.

Het Engelse parlement schafte in juni 1833 de slavernij officieel af. Drastische verbeteringen in de leefomstandigheden vonden echter niet plaats. De slavernij werd afgeschaft maar het land en de rijkdom was nog steeds in handen van een kleine groep blanken. Tot 1838 werden de voormalige slaven gedwongen om te werken onder het zogenaamde "apprenticeship system". Dit betekende dat ze zonder salaris een "leerperiode" moesten ingaan om aan hun nieuwe situatie te wennen. Slavenhouders werden echter financieel gecompenseerd voor het verlies van hun slaven. De regeling pakte in eerste instantie dus hoofdzakelijk gunstig uit voor de slavenhouders.

Tot 1838 was het mogelijk om zonder kosten ontontgonnen land te bewerken en te gebruiken voor landbouw. In 1838 besloot het Ministerie van Koloniën echter dat dit de ex-slaven zou ontmoedigen om banen te zoeken en werd hier een tarief op geheven waarvoor de ex-slaven geen geld hadden. Er veranderde dus niet veel in de situatie van de voormalige slaven. Een kleine elite in Belize hadden volledige controle over het land en creëerden economische afhankelijkheid door een systeem van arbeidsloon en ondernemingswinkels.

Door de afschaffing van de slavernij kwamen vele plantagehouders arbeidskrachten te kort. In de plaats van slavernij werd een nieuw systeem van contractarbeid geïntroduceerd, het zogenaamde "indentured labour system". De meeste contractarbeiders kwamen uit India waar een enorme werkloosheid heerste. Hun werd een vaste baan en een gratis overtocht naar Belize beloofd. In ruil hiervoor zouden ze een bepaald aantal jaren onder contract moeten werken waarna ze hun vrijheid hadden terug verdiend. In de praktijk bleek de contractarbeider na deze periode geen kant uit te kunnen en diende hij een nieuw "wurgcontract" te tekenen. Tussen 1844 en 1971 werden 41.600 contractarbeiders uit India te werk gesteld in de Britse koloniën in het Caribische gebied. Hoeveel er uiteindelijk naar Belize kwamen is niet helemaal duidelijk. In 1891 werden 291 personen bij een telling vermeldt die oorspronkelijk uit India kwamen. De meeste waren werkzaam op de suikerplantages in het Toledo en Corozal district.

Bron: A history of Belize, Cubola Productions